Het stuk van de maand

Een Tibetaanse thang-ka 

De Tibetaanse boeddhistische schilderkunst vindt men op muurschilderingen, manuscripten en rolschilderingen of thang-ka. Deze laatste worden wel als het hoogtepunt van de Tibetaanse schilderkunst beschouwd. Thang-ka betekent 'dat wat men oprolt'. Het is een draagbare schildering, die men kan op- of afrollen en die op katoen, linnen of jute, of, veel zeldzamer, op zijde is geschilderd. Een thang-ka kan ook geborduurd zijn of in oplegwerk. De vervaardigingstechniek van een thang-ka bestaat al lang en is sinds eeuwen praktisch onveranderd gebleven. Enkel voor sommige materialen werden mettertijd de natuurlijke grondstoffen door synthetische vervangen.

Shrîdevî

dpal-ldan lha-mo in Tibetaans ('Roemrijke godin') behoort tot de Acht Verschrikkelijken, de hoofdbeschermers van de boeddhistische leer en religie. Ze is de enige vrouwelijke schutsgod. Volgens een legende was ze ooit getrouwd met een koning die de leer van Boeddha vijandig gezind was. Uit vrees dat haar zoon, eenmaal volwassen, het boeddhisme zou vervolgen, besliste ze hem om te brengen. Ze doodde haar kind, dronk zijn bloed uit zijn schedel en at zijn vlees op. Van de huid van haar zoon maakte ze een zadel voor het beste rijdier. Ze verliet het paleis en trok zich terug. Toen de koning vernam wat er gebeurd was, schoot hij met behulp van een magische toverformule een vergiftigde pijl in de richting van zijn echtgenote. De pijl bleef echter achteraan in de rug van het muildier steken. De koningin verbrak het effect van de vervloeking, trok de pijl eruit en zei: 'moge de wonde van mijn rijdier een oog worden, zo groot, dat het in één oogopslag de vierentwintig windstreken kan zien en moge ikzelf het vervloekte ras van de koningen verdelgen.'

Voorstelling van Shrîdevî

Tenmidden een zee van bloed met gedode mensen rijdt dpal-ldan lha-mo op haar muildier, waarop een afgestroopte mensenhuid (van haar zoon) ligt en waarvan het tuig uit slangen bestaat. Ze heeft een zwartblauwe huidskleur en zwaait in haar rechterhand met een scepter. In haar linkerhand heeft ze een schedelbeker met bloed gevuld. Ze heeft een schrikaanjagend gezicht met vier lange hoektanden, een klein mensenkadaver in haar mond en drie uitpuilende ogen met vlammende wenkbrauwen. Ze draagt de kroon van vijf doodskoppen en andere schrikwekkende sieraden zoals een snoer van versafgehakte mensenhoofden. Ze heeft en sjaal rond de hals, een afgestroopte mensenhuid op haar rug en om haar lenden een tijgervel. Links en rechts staan haar acolieten, Simhavaktrâ met leeuwenkop en Makaravaktrâ met makarakop. Het muildier met het derde oog achter op zijn bil draagt vooraan een beurs met ziekten, een zwarte en een witte dobbelsteen waarmee over het lot van de mensen wordt gespeeld, twee rode planken die de dood veroorzaken als ze tegen elkaar worden geslagen.

Shrîdevî en haar gevolg

Ze is omringd door haar gevolg dat bestaat uit de Vijf Gezusters van het Lange Leven en de Twaalf bewaaksters van de boeddhistische leer. Deze hebben een vreedzaam uiterlijk en dragen de sieraden van een bodhisattva. Bovenaan in het midden troont de vrouwelijke bodhisattva Sarasvatî met de zangerige stam, die voorspoed brengt, en onder het muildier, in het midden, zit Ekamâtri Shrîdevî.