Gebouwen

De Japanse Toren, het Chinees Paviljoen en het Museum voor Japanse Kunst vormen samen de Musea van het Verre Oosten.

Dit opmerkelijke exotische geheel wordt gerekend tot de laatste grote architectonische realisaties in opdracht van koning Leopold II (1835-1909). De Franse architect Alexandre Marcel (1860-1928) ontwierp de gebouwen. Om die een authentiek accent te geven, werden zij voorzien van een bekleding die speciaal in het Verre Oosten werd vervaardigd. Zo komen de sierelementen van de Japanse Toren uit Yokohama en werd het toegangspaviljoen besteld in Tokio. Het polychrome houtwerk van de kiosk en van het Chinees Paviljoen is afkomstig uit Shanghai. Met uitzondering van deze geïmporteerde elementen, zijn de gebouwen Europees. Zij zijn immers opgetrokken volgens Europese bouwprincipes, de materialen van de ruwbouw zijn Belgisch en de decoratie werd ontworpen door Parijse kunstenaars.

De Japanse Toren werd ingehuldigd in 1905 en het Chinese complex werd afgewerkt in 1910. De staat erfde het geheel en gaf het in beheer aan de huidige Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis. De gebouwen getuigen op hun manier van de economische en de culturele betrekkingen tussen Europa en het Verre Oosten aan het begin van de 20ste eeuw, een rol die werd overgenomen door de collecties die er vandaag in worden tentoongesteld. Het betreft immers objecten die speciaal werden vervaardigd voor de export naar het Westen. De Japanse Toren herbergt het decoratieve porselein dat voor Europa werd vervaardigd tussen het midden van de 17de en het midden van de 18de eeuw, naast Japanse siervoorwerpen die veel bewondering oogstten op de Wereldtentoonstellingen rond 1900. In het Chinees Paviljoen staan belangrijke collecties opgesteld die het volledige gamma omvatten van de Chinese porseleinproductie gemaakt voor de Europese markt in de 17de en de 18de eeuw en die werd ingevoerd door de Oost-Indische compagnieën.

Het dienstgebouw van het Chinees Paviljoen was lange tijd gesloten. Op 21 maart 2006 kreeg het, na grondige restauratiewerken, de functie van Museum voor Japanse Kunst. Daar wordt voortaan de klassieke Japanse kunst van de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis geëxposeerd, die zich vooral toespitst op de Edo-periode (1600-1868). De ruim 12.000 objecten zijn uiteraard nooit alle samen te zien. Aangezien de meeste voorwerpen te kwetsbaar zijn voor een langdurige blootstelling aan licht en stof, worden zij in wisselende presentaties tentoongesteld. Zo worden een aantal vaste thema's voorgesteld, die getuigen van het Japanse meesterschap op het vlak van de metaalkunst, het lakwerk, de schilderkunst, de prentkunst, het textiel, de ceramiek en de beeldhouwkunst.