Belgische archeologisch team te Mleiha, in het Emiraat Sharjah

De Verenigde Arabische Emiraten, bij het grote publiek vooral geassocieerd met oliebronnen en steden zoals Dubai en Abu Dhabi, zijn doorgaans minder bekend omwille van hun plaats in de wereldgeschiedenis. Deze regio langs de Perzische Golf, aan de rand van de Arabische Rub' al Khali woestijn, het "lege kwartier", speelde nochtans een belangrijke rol in de ontwikkeling van de oude culturen die aan de basis van onze beschaving liggen. Spijkerschriftteksten uit het 3de millennium v. Chr. uit Mesopotamië, het huidige Iraq, vermelden de rijkdom aan koper en harde steensoorten van Magan, het zuidoostelijke deel van het Arabische schiereiland. Schepen uit Magan meerden aan te Akkad op de Euphraat, de hoofdstad van het Akkadische rijk (ca. 2350-2170 v. Chr.). Koning Manishtusu van Akkad zou een expeditie naar Magan hebben geleid, er een 30tal koningen onderworpen hebben en er het dioriet hebben gehaald waaruit kostbare beelden werden vervaardigd.

Vanaf de jaren 50 van de vorige eeuw kwam het archeologisch en cultureel erfgoed van deze regio onder druk als gevolg van de olieontginningen, de daaruit volgende immigratie en de snelle stedelijke ontwikkeling. De Emiraten werden zich echter bewust van de druk op hun cultureel en materieel erfgoed en voerden al snel een actief onderzoeks- en beschermingsbeleid. Sinds 2009 is een Belgische archeologisch team hierbij betrokken in het Emiraat Sharjah en werkt er nauw samen met het Directorate of Antiquities. Het onderzoek spitst zich toe op de karavaanstad Mleiha (al Maleha), een van de belangrijkste archeologische sites van ZO-Arabië. De oude karavaanstad ligt ongeveer halfweg op de route tussen de kuststeden aan de Perzische Golf en de Golf van Oman en op de route die de oases Dhaid en al-Ain verbindt.  

Mleiha ligt in een alluviale grindvlakte aan de voet van het gebergte van Oman en is afgeschermd van de zandwoestijn door de Jebel Fayah bergketen. Deze geologische situatie verklaart de hoge watertafel waardoor de vlakte geschikt was voor menselijke bewoning. De intensiteit van de menselijke aanwezigheid fluctueerde echter sterk en volgt duidelijk de klimaatschommelingen waarvoor dit gebied aan de rand van de woestijn zeer gevoelig is. In het 7de/6de mill. v. Chr. treft men er een Neolithische nomadische bevolking aan maar een eerste echte bloeiperiode situeert zich pas in het 3de millennium v. Chr. De grafgiften in de monumentale torenvormige graven van de sedentaire Umm an-Nar cultuur tonen aan dat de regio in contact stond met Mesopotamie, Zuid-Iran en de Indusdalculturen. De omvangrijkste bewoning te Mleiha dateert echter uit de laat pre-Islamitische periode. Van de 3e eeuw voor tot de 3e-4e eeuw na Chr. was Mleiha het economisch en politiek centrum van ZO-Arabië met een eigen munt waarop de lokale heersersdynastie, de Abi'el, in Hellenistische stijl was afgebeeld.          

De plotse economische bloei van de Mleiha oase in de 3de eeuw v. Chr. staat in rechtstreeks verband met de opkomst van de internationale handel tussen Oost en West. Mleiha speelde een rol als tussenhandelaar en bevoorrader van kameel karavanen op de route tussen NO-Arabië en de kust van Oman. Luxe goederen zoals Grieks vaatwerk, Zuid-Arabische albasten cosmeticavaasjes en Indische ivoren bereikten zo de regio. Het oudste fragment van een wijnamfora is afkomstig uit Rhodos en dateert van 270-250 v. Chr. Het werd er door de Belgische archeologen in 2009 ontdekt. Mleiha bestond uit enkele grote forten met rondom kleinere wooncomplexen, ambachtscentra en eenvoudige barasti-hutten uit palmbladeren, dit alles temidden van dadelpalmplantages die door een uitgebreid netwerk van kanaaltjes van water werden voorzien. In de 3de of vroeg 4de eeuw kwam er een plots einde aan de macht van Mleiha. De forten werden belegerd en platgebrand en de oase werd verlaten. De handelsroutes verschoven en grote delen van de antieke stad bleven onverstoord tot de jaren 80 van vorige eeuw toen het gebied terug in gebruik werd genomen voor dadelpalmplantages. Het emiraat voert nu echter een actief beschermingsbeleid, plantages worden opgekocht en als archeologische zone beschermd, de lokale bevolking wordt gesensibiliseerd en een toeristische infrastructuur wordt ontwikkeld. Het onderzoek en het in kaart brengen van de archeologische resten is daarbij essentieel.

De plotse groei van Mleiha in het begin van de 3de eeuw deed vragen rijzen over de economische en socio-politieke achtergronden en over de identiteit van de bewoners. Ging het om een lokale ontwikkeling of was het eerder toe te schrijven aan de inwijking van nieuwkomers in de regio? Deze laatste theorie was ondermeer gebaseerd op de necropool te Mleiha, een uitgestrekt grafveld met ondergrondse grafkamers waarop massieve blokvormige monumenten met kantelen stonden. Vergelijkbare monumenten uit het Nabatese Petra in Jordanië en uit Saoudi-Arabie deed een sterke N-Arabische invloed vermoeden. Om hierover meer duidelijkheid te verschaffen startte het KMKG-team een onderzoek op het oudste deel van de necropool. 

Lage heuvels verspreid over de wadi verbergen er de resten van de leemtegel "torens" die bovenop de graven stonden. Tussen en rondom de torens zijn er bescheidener graven aanwezig. Hoewel alle tot nog toe ontdekte graven werden geplunderd, tonen de resterende vondsten waaronder gouden kraaltjes, albasten en bronzen vaatwerk en aardewerk uit de Mediterrane wereld, India en Iran, aan dat Mleiha reeds in de 3de-2de eeuw v. Chr. een belangrijke rol speelde in de internationale lange afstandshandel.

De grafkamers zijn eenvoudige putten waarin de overledenen samen met de grafgiften werden ondergebracht. Ze werden afgedekt met houten balken, rietmatten en een plaasterlaag, een constructietechniek die tot voor kort nog in de traditionele woningbouw van de regio werd gebruikt. Bovenop dit graf werd een massief blokvormig monument opgetrokken uit leemtegels, soms in combinatie met kalktegels, een zogenaamde “djinn blok”. In de Arabische tradities herbergt die de djinn, de geest van de overledene. Enkel de basis van deze torens is bewaard en de details van de bovenbouw bleven onzeker tot de uitzonderlijke ontdekking in 2009 van twee torens met decoratieve lijsten en kantelen in kalktegels. Dankzij de analyse van de ligging rondom de torens en de details van de individuele blokken kon een betrouwbare reconstructie worden gemaakt. De wanden waren licht hellend en bovenaan waren er horizontale lijsten en kantelen. We veronderstellen dat alle funeraire torens dergelijke kantelen hadden maar dan vervaardigd uit leemtegels. In tegenstelling tot de hardere kalktegels laat dit echter geen sporen na. Het gebruik van hellende wanden sluit aan bij lokale bouwtradities. We vinden dit kenmerk reeds bij de Umm an-Nar graftorens uit het derde millennium v. Chr. en ook de woon- en wachttorens in forten uit de 19de en 20e eeuw hebben nog hellende wanden en kantelen. Het is een opvallend verschil met de N-Arabische en Nabatese graftorens en duidt op de verankering van de funeraire praktijken in lokale tradities.

De concentraties van "torengraven" weerspiegelen mogelijk familie- of stamverbanden, variaties in grootte en decoratie wijzen wellicht op onderlinge statusverschillen. Om meer duidelijkheid te krijgen omtrent de samenhang van de graven en de evolutie van het grafveld doorheen de tijd werd een grootschalig Ground Penetrating Radar onderzoek gedaan. De ligging van de torengraven is duidelijk herkenbaar op de GPR beelden, zelfs de tunnels waarlangs grafrovers het graf zijn binnengedrongen zijn te zien als vlekken in het vierkante grondvlak van de torens. Deze beelden maken het mogelijk gerichtte opgravingen door te voeren om de verschillende zone’s van het grafveld onderling te vergelijken.

Grafrovers hadden enkel interesse in kostbaarheden, gebroken vaatwerk en eenvoudige ijzeren voorwerpen zoals zwaarden en pijlpunten werden in of naast het graf achtergelaten. Ook alle menselijke resten zijn echter uit het graf verdwenen. De vondst van kraaltjes rondom de graven suggereert dat dit was om de juwelen van de overledene te kunnen recupereren.

Belangrijk voor de datering van de graven zijn de wijnamforen uit Rhodos die met kameel-karavanen vanuit N-Arabie werden aangevoerd. Tussen de talrijke fragmenten die in en rond de torengraven werden ontdekt zijn een dertigtal handvaten met stempels van Rhodische producenten en beambten waardoor ze nauwkeurig kunnen gedateerd worden. Hoewel dit de productiedatum van de amforen aanduidt en de graven dus jonger zijn, is het een belangrijke indicatie. Het is immers onwaarschijnlijk dat ze pas vele decennia later in de graven zouden zijn geplaatst. Het overige aardewerk is ofwel van lokale oorsprong of is ingevoerd uit Zuid-Mesopotamie, Zuid-Iran of India en geeft zodoende een inzicht in het verloop en de aard van de handelscontacten.

Het onderzoek heeft de lokale component in de architectuur aangetoond en spitst zich nu verder toe op het ontstaan en de vroege evolutie van Mleiha als handelscentrum. Sinds 2009 wordt er door de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis elk najaar archeologisch veldwerk te Mleiha verricht.