Art nouveau en art deco

Wolferswinkel

In deze collectie, die zich voorlopig beperkt tot één zaal, de zogenoemde 'Wolferswinkel', wordt een deel van de kunstproductie vanaf de art nouveau tot de art deco belicht. Aan de hand van onder meer sculpturen, glaswerk, ceramiek en tafelzilver wordt een overzicht gebracht van de voornaamste stilistische tendensen binnen de decoratieve kunsten van 1890 tot 1940. De kandelaars van Henry van de Velde behoren tot de topstukken. Een belangrijk onderdeel van de collectie én van de zaal is het meubilair en de vitrines waarin de kunstwerken worden geëxposeerd. Dit ensemble werd getekend door Victor Horta. Hij ontwierp het in opdracht van de firma Wolfers Frères voor de toonzaal van deze edelsmid.
Blikvangers in de 'Wolferswinkel' zijn de sculpturen van edelmetaal en ivoor. Het grootste deel werd speciaal gemaakt voor de Koloniale Tentoonstelling van 1897 in Tervuren. 'Mysterieuze sfinx' van Charles Van der Stappen, 'De Zwanenstreling' van Philippe Wolfers en 'Naar het oneindige' van Pieter-Jan Braecke zijn enkele topwerken van de decoratieve sculptuur van rond 1900. Uitzonderlijke werken van Franse kunstenaars zijn de ceramiekvaas van Paul Gauguin, de bronzen kat van Édouard-Marcel Sandoz en de lakwerkvaas met eierschaalversiering van Jean Dunand.    

Het Horta-Lambeauxpaviljoen

Het Horta-Lambeauxpaviljoen herbergt de grootste realisatie van de Antwerpse beeldhouwer Jef Lambeaux (1852-1908): het reliëf De Menselijke Driften. Het enorme witmarmeren werk werd geconcipieerd op het thema van het geluk en de zonden van de mensheid, gedomineerd door de Dood. Het werk kende een bewogen ontstaansgeschiedenis. Aan de basis lag in eerste instantie een inschattingsfout van Lambeaux, gevolgd door een meningsverschil tussen de beeldhouwer en de jonge architect Victor Horta (1861-1947), die voor zijn eerste staatsopdracht rondom dit werk een tempeltje ontwierp. Vanaf 1886 werkte Jef Lambeaux in grote afzondering en met volledige overgave aan het ontwerp van De Menselijke Driften. In 1889 stelde hij het karton voor aan een beperkte groep critici, die er nadien met lovende woorden over berichtten in de pers. Toen het karton enkele maanden later werd geëxposeerd op het Salon van Gent, waren de verwachtingen bij de recensenten die dat ontwerp niet hadden gezien te hoog gespannen om bij het concept geen kanttekeningen te plaatsen. Men verweet het vooral gebrek aan cohesie. Ondanks de polemiek die volgde, bestelde de Belgische Staat in 1890 het werk om het op te stellen in het Jubelpark. Datzelfde jaar kreeg Victor Horta de opdracht om een bouwwerk rondom het reliëf te ontwerpen. Hoewel de bouwmeester en de beeldhouwer in eerste instantie tot een akkoord kwamen over het architectonische concept, mondde de samenwerking uit in een onoverbrugbaar meningsverschil, gevolg van twee eigengereide persoonlijkheden. Het conflict draaide rond het feit dat Lambeaux tegen de wil van Horta in een muur wou achter de zuilengalerij. Deze onenigheid leidde ertoe dat het gebouw op 1 oktober 1899 in open toestand werd ingehuldigd en amper enkele dagen later met een houten barricade werd afgesloten. Lambeaux heeft de huidige toestand nooit gekend. Pas na Lambeaux' overlijden in 1908 vervulde Horta diens wens en werd de muur opgetrokken waardoor het reliëf definitief aan het zicht werd onttrokken. Het tempeltje met klassieke allure, dat door Horta werd bestempeld als "het einde van de voorbode van mijn loopbaan", waarmee de bouwmeester verwees naar zijn faam als vernieuwende architect, kondigt effectief zijn geroemde art-nouveauperiode aan. Met het formele vocabularium van de klassieke architectuur, slaagde Horta er al in om alle elementen van de nieuwe stijl te verwerken. Elk klassiek detail werd opnieuw bestudeerd en heruitgevonden en is zodoende een illustratie van het genie van de architect.
openingsuren en tarief

Nieuwe zalen in voorbereiding

Het grootste deel van de verzameling bevindt zich in de reserves. Er wordt uitzonderlijk meubilair bewaard van onder meer Victor Horta, Oscar Van de Voorde, Philippe Wolfers, Gustave Serrurier-Bovy en Léon Sneyers. De hele collectie zal binnen afzienbare tijd worden opgesteld in een nieuwe reeks van zalen gewijd aan de decoratieve kunsten van de eerste helft van de 20ste eeuw. Het hoofdaccent zal worden gelegd op de Belgische inzendingen voor de wereld- en internationale tentoonstellingen van 1897 tot 1937. Naast het beheer van de collectie wordt wetenschappelijk onderzoek verricht. Het resultaat daarvan wordt geregeld gecommuniceerd op colloquia en gepubliceerd in wetenschappelijke publicaties.