07-11-12

Brief van Paul Magnette

Naar aanleiding van de oproep aan de federale overheid van 25 Belgische academici op maandag 5 november, publiceerde Paul Magnette, voogdijminister van Wetenschapsbeleid, op woensdag 7 november een antwoord op zijn website. Hieronder kunt u de volledige brief lezen.

 

07/11/2012

Beste collega's,

De oproep die u op maandag 5 november in de pers deed is in de eerste plaats een uiting van ongerustheid: de fusie van de Federale Wetenschappelijke Instellingen die samen de pool ‘Kunst’ vormen, zouden het voortbestaan van het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium (KIK) bedreigen. Daarop valt u de volledige hervorming aan, zoals die voorzien werd in de Bestuursovereenkomst die onlangs door de Voorzitter van het Directiecomité van de POD Wetenschapsbeleid en de minister van Wetenschapsbeleid werd ondertekend. Deze hervorming zou volgens u enkel tot fictieve besparingen leiden en de herschikking van de collecties in thematische musea noemt u zinloos.
 
Eerst en vooral wil ik u geruststellen over de toekomst van het KIK. Deze Instelling, die inderdaad een uitstekende internationale reputatie geniet, zal al zijn missies behouden. Het Instituut moet de restauratie blijven garanderen van werken van instellingen uit het hele land. Dat is niet alleen om budgettaire redenen noodzakelijk; het waarborgt ook de goede restauratie van deze werken en daarmee behoudt en ontwikkelt het KIK zijn expertise nog verder. De Bestuursovereenkomst is dan ook niet gericht op een beperking van de opdrachten van het Instituut, maar integendeel op een uitbreiding ervan: “Zonder afbreuk te doen aan de statutaire missie van het KIK op het vlak van restauratie en conservatie van het Belgische erfgoed, moet het instituut een grotere rol spelen bij het conserveren en het restaureren van het federale erfgoed via de oprichting en het beheer van een kenniscentrum 'Conservatie en restauratie'.” Het bestaan en de huidige missies van de instelling werden dus op geen enkel moment betwist. Er is dan ook nooit sprake geweest van het “deconstrueren” van de Instelling, noch van een naamsverandering.

Het lijkt me daarentegen wel wenselijk dat het KIK als Federale Instelling zich op een meer beslissende wijze toelegt op de vragen rond het behoud en de restauratie van het erfgoed dat in andere Federale Wetenschappelijke Instellingen wordt bewaard.  Het gaat hier opnieuw niet om verwatering, maar om een betere wederzijdse integratie. Zo verrichten de federale musea door middel van hun eigen onderzoeksprogramma's en conservatoren inderdaad ook wetenschappelijk onderzoek. Het project zal deze onderzoekers integreren in eenzelfde entiteit, namelijk het KIK. In navolging van de vereniging van Berlijnse musea zal deze entiteit op termijn door de fusie van bibliotheken en archiefcentra evolueren tot één Instituut dat vanzelfsprekend ook enkel het KIK kan zijn. Ons plan is noch zinloos, noch uniek. Het Berlijnse voorbeeld laat zien dat we ons in een algemene trend integreren, die gericht is op het versterken van de samenhang van museumentiteiten, het bevestigen van wetenschappelijke excellentiepolen, het optimaliseren van de werkmodus en het rationaliseren van de infrastructuur.

De voorgestelde herschikking van de collecties is op haar beurt gebaseerd op een betere afstemming tussen de museumeenheid en de aard van de bewaarde collecties. Voor wat de moderne kunst of negentiende-eeuwse kunst betreft, volstaat het om te herinneren aan de lijst kunstenaars die niet in onze collecties vertegenwoordigd zijn (Picasso, Kandinsky, Mondriaan, Malevich, Pollock, Warhol,… voor de moderne kunst; Friedrich, Turner, Monet, Cezanne, Munch,… voor de negentiende-eeuwse kunst) om te beseffen dat in tijden van wereldwijde communicatie, onze oude benamingen niet naar een inhoud verwijzen die de bezoeker van zulke musea terecht mag verwachten.

Het is daarom noodzakelijk om onze entiteiten opnieuw te definiëren door hun kwaliteiten, maar ook hun beperkingen volledig en bewust te integreren. Deze vereiste ging ook vooraf aan de oprichting van het Magritte Museum. En deze vaststelling leidde ook tot het ‘Fin de siècle Museum’, dat in mei volgend jaar zijn deuren zou moeten openen. Het gaf ook aanleiding tot de uitbouw van een project om onze kunstcollecties van 1914 tot vandaag in een nieuwe ruimte onder te brengen, een project dat we ondanks een moeilijke budgettaire context toch hopen te kunnen realiseren. 

Een thematische presentatie is een manier om toonaangevende ​​periodes en kunstenaars uit ons land in de verf te zetten. Elke kunsthistoricus weet dat de Vlaamse Primitieven, het Fin de siècle en het surrealisme bijzonder belangrijke momenten zijn in de artistieke geschiedenis van ons land. Deze nieuwe vorm van presentatie is in de eerste plaats essentieel voor een beter begrip van de Belgische kunstgeschiedenis door onze medeburgers. Deze thematische presentatievorm is dan ook vooral pedagogisch bedoeld. Als ze ook een breder publiek kan aantrekken, zoals het succesvolle Magritte Museum, dan kunnen we daar alleen maar blij om zijn. Want het is natuurlijk geen schande voor een museum om een zo breed mogelijk publiek aan te trekken. Indien het daarenboven ook helpt om de Belgische hoofdstad verder op de internationale kaart te zetten, en grotere inkomsten te genereren waarmee we onze collecties beter kunnen onderhouden en versterken, dan kunnen we ons daar alleen maar om feliciteren.
 
Wanneer u vraagt dat collecties oude kunst die “ten onrechte uit de zalen werden uitgesloten of te lang onzichtbaar zijn geweest” opnieuw ter beschikking zouden worden gesteld lijkt u te vergeten dat de betrokken zalen op dit moment onbruikbaar zijn en dat er grote werken vereist zijn om er opnieuw kunstwerken in tentoon te stellen. Dit is noch de schuld van de directie, noch het resultaat van het herschikkingsbeleid, maar eerder het gevolg van een voortdurende degradatie van de gebouwen waarin renovaties slecht of te laat werden uitgevoerd. Hetzelfde geldt voor de reserves van de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, waarvan de staat treffend als ‘schandalig’ wordt beschreven door de ondertekenaars.

In het geval van het Museum voor moderne kunst, wil ik eraan herinneren dat de sluiting in februari 2010 noodzakelijk was om essentiële werken uit te voeren aan de airconditioning, de elektriciteit en de veiligheid, en dit in een gebouw dat geen enkele investering had gekend sinds 1989. Deze investeringen, die overigens mede gefinancierd werden door de inkomsten van het Magritte Museum, zal het Museum de kans bieden om kunstcollecties van 1863 tot 1914 in ideale behouds- en exploitatieomstandigheden te herbergen. Deze keuze is ook gebaseerd op de vaststelling dat deze “Fin de siècle”-collecties van uitzonderlijke kwaliteit zijn en het verdienen om in de kijker te worden gezet. Het biedt ook de kans om de Gillon-Crowetgift te waarderen.
 
Kortom, de hervorming van de Federale Wetenschappelijke Instellingen zoals bepaald door de Bestuursovereenkomst, die overigens veel verder gaat dan de Instellingen van de pool ‘Kunst’ en dus ook het kader van de Oproep aan de federale regering overstijgt, maakt deel uit van een logica waarbij we onze collecties en ons wetenschappelijk potentieel willen waarderen, en dit binnen een budgettaire context die een dergelijke reorganisatie oplegt. Ik ben ervan overtuigd dat we, ondanks de besparingen die we zullen moeten doorvoeren, beter kunnen doen. Zowel de instellingen en hun medewerkers als de bezoekers zullen ten volle van de vruchten van deze hervorming kunnen genieten. 
 
Paul MAGNETTE