 |
|
 |
|
 |
 |
 |
 |
DE OORSPRONG VAN HET JUBELPARKMUSEUM | top |
Van de 15de tot de 17de eeuw werden diplomatieke geschenken, aandenken en curiosa van de Bourgondische hertogen en nadien van de Habsburgse aartshertogen tentoongesteld in het Koninklijk Arsenaal, een grote zaal in de nabijheid van het paleis op de Coudenberg. Daar kwamen de eerste verzamelingen tot stand die nu zijn ondergebracht in de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis. Jammer genoeg werd in 1794 een groot aantal van de kunstschatten en objecten getransporteerd naar de keizerlijke musea in Wenen.
In 1835 verrijkte de jonge Belgische staat zich met een Musée d'Armes anciennes, d'Armures, d'Objets d'Art et de Numismatique, onder leiding van graaf Amédée de Beauffort, met de bedoeling staats onafhankelijkheid in historisch perspectief te plaatsen. De verzamelingen werden ondergebracht in het Nijverheidspaleis, de huidige linkervleugel van de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België.
VAN DE HALLEPOORT TOT HET JUBELPARKPALEIS | top |
De instelling, die naderhand de naam Musée royal d'Armures, d'Antiquités et d'Ethnologie kreeg, verhuisde zijn collecties naar de Hallepoort, een overblijvende poort van de oude ringmuur rond Brussel, die net was gerestaureerd. Antoine-Guillaume-Bernard Schayes werd de eerste hoofdconservator. De verzamelingen breidden zich vlug uit dankzij belangrijke legaten zoals die van Gustave Hagemans (1861) en Émile de Meester de Ravestein (1874). Toen de Hallepoort te klein werd om er het voortdurend toenemende aantal voorwerpen in onder te brengen, werd beslist om de collecties te splitsen. Onder leiding van de nieuwe hoofdconservator Eugène Van Overloop werden in 1889 de voorwerpen van de klassieke Oudheid overgebracht naar het Jubelparkpaleis, dat was gebouwd op initiatief van koning Leopold II. In 1906 werd de etnografische collectie eveneens naar daar overgebracht. De verzameling wapens en wapenrustingen bleef in de Hallepoort. Het nieuwe museumcomplex in het Jubelpark kreeg de naam Koninklijke Musea voor Sier- en Nijverheidskunst. In 1912 kregen de musea de nieuwe naam Koninklijke Musea van het Jubelpark. Na de oprichting van het Legermuseum in 1922, dat ook in het Jubelpark werd gehuisvest, werd men verplicht een nieuwe naam te kiezen om verwarring uit te sluiten. Het werd: Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, wat in 1926 de officiële naam werd en nog steeds geldt. In 1925 werd Eugène Van Overloop opgevolgd door de egyptoloog Jean Capart. Gedurende zijn ambtstermijn werden de musea een vooraanstaande wetenschappelijke instelling. Het interbellum was een gunstige periode voor de musea. De collecties van het Jubelparkmuseum groeiden aan, de gelden namen toe en er werden verschillende studiecentra opgericht. Verschillende wetenschappelijke expedities werden georganiseerd, onder meer naar Paasleiland in 1936. HET JUBELPARKMUSEUM NA DE TWEEDE WERELDOORLOG | top |
Met de Tweede Wereldoorlog werden de activiteiten van de KMKG bruusk onderbroken. De collecties werden in veiligheid gebracht. In 1942 nam Henry Lavachery de leiding over van Jean Capart. Onmiddellijk na de oorlog begon hij met de grondige reorganisatie van de instelling. Een hevige brand legde in 1946 een hele vleugel van het Jubelparkmuseum in de as. Een deel van de verzamelingen die er hun onderdak hadden, werden daarbij vernield. De wederopbouw verliep moeizaam en de nieuwe vleugel werd in 1966 ingehuldigd. De werken werden deskundig geleid door graaf Charles de Borchgrave d'Altena, hoofdconservator van 1951 tot 1963, en daarna door zijn opvolger Pierre Gilbert. Ondertussen zorgden zij voor de verdere uitbreiding van de collecties (onder meer met de wandtapijtenreeks 'De geschiedenis van Jacob') en voor museologische modernisering. De hoofdconservators die volgden, zetten deze politiek van reorganisatie en renovatie verder. Tevens werden vanaf het midden van de jaren 80 grote tijdelijke tentoonstellingen georganiseerd, wat de dynamiek nog meer kracht bijzette. De namen van de hoofdconservators zijn: René de Roo (1969-1984), Herman De Meulenaere (1984-1987), Francis Van Noten (1987-2000), Eliane De Wilde (2000) en Anne Cahen-Delhaye (2000-2010).   DE GESCHIEDENIS VAN HET MUZIEKINSTRUMENTENMUSEUM | top |
Daar waar de collectievorming van het Jubelparkmuseum nauw is verweven met die van de Musea van het Verre Oosten en met de geschiedenis van de Hallepoort, heeft de collectievorming van het Muziekinstrumentmuseum een eigen verhaal. Haar oorsprong gaat immers terug op het Koninklijk Muziekconservatorium van Brussel. Op 1 februari 1877 werd het Muziekinstrumentenmuseum opgericht als afdeling van deze instelling, met de bedoeling de studenten in contact te brengen met historische instrumenten. Twee verzamelingen van muziekinstrumenten liggen aan de basis van deze oprichting. Enerzijds is er de verzameling van de beroemde Belgische musicoloog François-Joseph Fétis (1784-1871), aangekocht door de Belgische Staat in 1872 en ondergebracht in het conservatorium, waar Fétis eerste directeur was geweest. Anderzijds is er de collectie van een honderdtal Indische instrumenten die radjah Soerindhro Mohun Tagore (1840-1914) in 1876 had geschonken aan koning Leopold II. Victor-Charles Mahillon (1841-1924), de eerste conservator, bouwde daarop verder en maakte zo de rijkste verzameling ter wereld. Bij zijn dood bezat het museum 3177 muziekinstrumenten. Na Mahillon kwam een einde aan de spectaculaire uitbreiding van de collectie. Hij werd opgevolgd door Ernest Closson (van 1924 tot 1936), die op zijn beurt werd opgevolgd door zijn zoon Herman (van 1936 tot 1945). Daarop volgden: René Lyr (van 1945 tot 1957), Roger Bragard (van 1957 tot 1968), René De Maeyer (van 1968 tot 1989), Nicolas Meeùs (waarnemend van 1989 tot 1994) en Malou Haine (sedert 1994). De collectie, die decennia lang verspreid zat in verschillende gebouwen in de Zavelwijk, kreeg uiteindelijk een waardig onderkomen in het bekende art-nouveaugebouw Old England, dat tot een modern museum werd verbouwd en in juni 2000 zijn deuren opende. DE GESCHIEDENIS VAN DE MUSEA VAN HET VERRE OOSTEN | top |
De Musea van het Verre Oosten zijn gelegen in de Brusselse gemeente Laken. Ongeveer op de plaats waar zij nu staan, stond er in het laatste kwart van de 18de eeuw een Chinese pagode. Zij domineerde het park dat deel uit maakte van het domein dat eigendom was van de gouverneurs-generaal van de Oostenrijkse Nederlanden. Was dit een voorteken van wat later komen zou?   In 1900 vatte koning Leopold II het plan op om een openluchtmuseum op te richten, bestaande uit verschillende exotische paviljoenen. Hij had dat jaar iets gelijkaardigs gezien op de Wereldtentoonstelling in Parijs, meer bepaald het panorama Tour du Monde.
Het jaar daarop droeg hij de Parijse architect Alexandre Marcel (1860-1928) op een 'Japanse toren' te bouwen. Die was klaar in november 1904. Op 5 mei 2005 werd hij plechtig geopend en bood de vorst een garden-party aan. Hoewel het plan voor een openluchtmuseum snel werd opgegeven, schonk de vorst het gebouw in 1909 aan de Belgische Staat. Daarop werd het een bijgebouw van het Handelsmuseum van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Gedurende de eerste Wereldoorlog was het gesloten. Het ging pas weer open in 1922 en werd geplaatst onder de voogdij van de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis. Vanaf 1947 kon de Japanse Toren niet meer worden bezocht. Pas in 1989, na een hele reeks restauratiewerken, werd hij opnieuw toegankelijk voor het publiek. Sedertdien wordt men er vergast op kwaliteitsvolle tentoonstellingen over aspecten van de Japanse cultuur en geschiedenis.
Ook de bouw van een 'Chinees paviljoen' werd door Leopold II toevertrouwd aan Alexandre Marcel aan het begin van de 20ste eeuw. De vorst had de bedoeling om er een luxerestaurant van te maken voor zakenlui die economische banden met China hadden of wensten uit te bouwen. In 1903 werd met de werken begonnen. Die werden in 1905 onderbroken en in 1909 hernomen. Het Chinees Paviljoen, waarvan de Chinese look vooral toe te schrijven is aan de uit Shangai geïmporteerde panelen aan de buitenkant, werd in 1913 geopend, niet als restaurant, maar als bijgebouw van het Handelsmuseum, net zoals de Japanse Toren. In 1921 werd het beheer toegewezen aan de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis. In de loop der jaren bracht deze instelling er haar prachtige collectie Chinees exportporselein in onder en die is er nog altijd te zien.
Het kleine sobere gebouw dat zich achter het Chinees Paviljoen bevindt is nu het Museum voor Japanse Kunst. Het werd 1903 gebouwd door Alexandre Marcel als garage voor de koetsen en de auto's waarmee het cliënteel naar het restaurant in het Chinees Paviljoen zou komen. Maar vermits het restaurant er nooit kwam, bleef dit bijgebouw zonder functie. In 1990 beslisten de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis en de Regie der Gebouwen om het te renoveren en in te richten als museum waarin de rijke collectie Japanse kunst van de KMKG zouden worden geëxposeerd. In 2006 wordt het geopend.
|
 |
 |
|
 |